Kan een huisarts ook een vertrouwenspersoon zijn?
Kan een huisarts ook officieel een vertrouwenspersoon zijn?
Casus: An, 63 jaar, psychisch lijden
auteur: Lut De Deken
Ik ken An, geboren in 1962, sinds 1999 toen ze mij als huisarts contacteerde. Ze kende mij van school. Ik heb ook haar ouders en twee broers medisch begeleid. Haar moeder, onderwijzeres van beroep, heeft een lange lijdensweg gehad door een gemetastaseerd borstcarcinoom. Ze is gestorven in de palliatieve eenheid van het ziekenhuis. De vader van An was leraar, maar worstelde met psychotische episodes. Zolang zijn vrouw leefde, gaf ze hem - zonder dat hij het merkte - haloperidol in de koffie en dan was hij oké. Na het overlijden van zijn vrouw en door afnemende therapietrouw ging het steeds minder goed met hem. Hij leed erg onder zijn aanslepende mentale problemen en het verdriet om het heengaan van zijn echtgenote. Uiteindelijk is hij gestorven aan hartdecompensatie.
Na het overlijden van haar vader is An verhuisd naar een appartement in de stad. Maar ondanks de hulpverlening rondom haar kon An deze verandering niet aan; er volgden heel wat opnames in psychiatrische afdelingen. Na zo’n opname was het absoluut niet vanzelfsprekend dat An terug alleen op haar appartementje ging wonen. Ze telefoneerde soms naar mij dat ze geen brood meer had. In die periode werd An, op voorstel van de psychiatrische thuiszorg, onder bewindvoering gezet.
De dienst psychiatrie koos voor beschut wonen. Toen ook dat niet meer lukte, werd een serviceflat aangeraden, want de dienst psychiatrie had goede ervaring met de leidinggevende van de serviceflat. Tijdens haar verblijf aldaar volgt An drie dagen per week dagtherapie in een psychiatrisch ziekenhuis. Een chauffeur van de mindermobielencentrale brengt haar heen en terug. Ze heeft het regelmatig moeilijk in de serviceflat, loopt weg… en dan wordt een zoekactie opgestart.
Omdat de serviceflat toch een eindje uit mijn buurt ligt, ga ik om de veertien dagen (of drie weken) haar bezoeken. Eigenlijk heeft ze geen familie of naasten die naar haar omkijken. Haar ouders en de oudste broer zijn overleden en haar jongere broer verblijft in een psychiatrisch verzorgingstehuis. De enige communicatie die ze met elkaar hebben is een kaartje met Nieuwjaar en een verjaardagskaartje. Af en toe bel ik de broer op als ik bij An op huisbezoek ben en laat ik haar met hem spreken. An heeft zelf geen gsm.
De sociale dienst regelt voor An een aantal praktische zaken, zoals de aankoop van nieuwe kledij. Er is een mondelinge afspraak met de bewindvoerder dat ik een officiële vertrouwenspersoon ben van An. Het staat echter niet op papier.
Enkele reflecties bij de casus
auteur: Dirk Avonts
De casus van collega Lut De Deken is heel herkenbaar. Je leert een patiënt kennen vanuit een gezamenlijk verleden. Stap voor stap geraak je betrokken bij het lief en (vooral) het leed van de familie. De betrokkenheid groeit en het engagement gaat verder dan het medisch handelen. Zo organiseert de huisarts telefonische gesprekken tussen broer en zus, en wordt de huisarts ook deelgenoot van huishoudelijke tekortkomingen: ‘ik heb geen brood meer’.
Het is heel menselijk. Als de familie afbrokkelt, nemen huisartsen (familiedokters) geleidelijk een aantal taken over die niet strikt medisch zijn. Je wordt dan met de jaren steeds meer een stukje van de familie. Het regelmatig op huisbezoek gaan is daar een illustratie van. Dan is het niet verwonderlijk dat op een gegeven moment de patiënt vraagt: ‘kun jij niet mijn vertrouwenspersoon zijn om me doorheen de complexe medische wereld te loodsen?’
In de casus van collega Lut is dat niet meer dan een logisch vervolg in een langdurig en intensief begeleidingsproces. De huisarts kent de familiale dynamieken, stond aan het ziekbed van de ouders en is bovendien heel onderlegd in het overzien van de medische problematiek en de impact van behandelingen en hulpverlening op de patiënt. Tja, waarom niet ingaan op deze vraag en naast huisarts ook (officieel) vertrouwenspersoon zijn? An, de kwetsbare patiënte, zal zich dan veiliger voelen en met een gerust gemoed de toekomst tegemoet zien.
Even, los van de casus, enkele reflecties. Mag je als huisarts ook officieel vertrouwenspersoon zijn voor patiënten? De wet legt geen enkele beperking op. De huisarts mag ook de functie van vertrouwenspersoon van zijn/haar patiënt opnemen, want wettelijk gezien heeft iedereen een vrije keuze van vertrouwenspersoon. De Orde van artsen stipt wel aan dat de vertrouwenspersoon in eigen naam moet handelen en in het belang van de patiënt. Dan is de huisarts misschien wel de meest aangewezen persoon om vertrouwenspersoon te zijn, want de uitgebreide achtergrond die een huisarts in de loop van de tijd verzamelt, geeft net de huisarts een stevige bagage om ‘het belang van de patiënt’ te dienen.
Of treedt hier belangenvermenging op? Is het misschien net een nadeel om professionele hulpverlening te combineren met ‘amicale’ steun aan de patiënt? Wat als de regelmatige bezoeken aan de patiënt niet langer houdbaar zijn door het te drukke werk als huisarts? En wat als het engagement als vertrouwenspersoon te intensief wordt? Ga je dan als huisarts aansturen om maatregelen te accepteren die niet meteen in het belang van de patiënt zijn, maar wel in het belang van je eigen werk en leven als huisarts?
En hoe kijk je vanuit het perspectief van ‘patient empowerment’ naar de situatie van de cumul van huisarts en vertrouwenspersoon? Het is niet denkbeeldig dat de patiënt dan in de hangmat gaat liggen, geen initiatief meer neemt en het helemaal aan de huisarts overlaat. Dan word je als huisarts een soort vader of moeder van een persoon die opgeeft om zijn of haar wil en vrije keuzes te tonen. De dialoog tussen huisarts-vertrouwenspersoon en de patiënt over levensdoelen en ‘het belang van de patiënt’ kan zo helemaal verstommen. Patiënt empowerment is oké voor mensen die graag, en heel lang, gezond blijven en denken in de richting van de medische wereld, maar voor anderen…? Men kan ze stimuleren in de goede richting, maar men heeft het niet in de hand.
Huisartsen ontwikkelen gemakkelijk een vertrouwensband met hun patiënten. Door omstandigheden en tijdens een intensieve (medische) begeleiding kan die band in de loop van de tijd versterken en zelfs exclusief worden. Dan is de stap erg klein om ook officieel vertrouwenspersoon van de patiënt te worden. Doe je dat? Of doe je dat niet? Dat hangt af van de ingesteldheid van de huisarts, de concrete situatie van de patiënt en de psychische kwetsbaarheid van de betrokkene.